BACK

Sneeuw

 Het enige gedichtje dat mijn vader uit z'n hoofd kende, is meer dan een eeuw oud,
en zelfs de woorden blijven een fijne herinnering, gekoppeld aan mijn vroege kinderjaren. 
Want...ging het sneeuwen en was vader thuis, dan wist ik al wat er ging gebeuren.

Verwachtingsvol keek ik dan van de sneeuwvlokjes naar zijn gezicht en .......
ja hoor, aan de grijns zag ik al, dat het er aan kwam...
Hij klopte z'n pijp leeg in de patroonhuls naast z'n stoel (overblijfsel uit de oorlogsjaren) 
en dan klonk het vrolijk:

wat dwarrelt daar, is 't witte wol ?
ziedaar, de ganse tuin ligt vol !
tot zelfs het dak is volbelaên,
en almaar houdt het sneeuwen aan
en in de lucht ?....het lijkt wel nacht !
daar zit nog menig wagenvracht.

Kijk, al wie zich op straat nog waagt
een flinke voorraad mét zich draagt
zijn jas is wit, en wit zijn hoed
zo stapt hij voort met dubb'le spoed.
waarom zo'n haast, gij wandelaar ?
't is immers geen gestolen waar !

************


 Nog meer nostalgie:
Was je een nakomertje, dan kon het zijn, dat je al op heel jonge leeftijd
een a.s. zwager had. Dat overkwam mij. Hij was student. Speelde wel es op onze piano en leerde
mij  het Fides Quaerit Intellectum studentenlied. Jawel.....in 't Latijn ! 
Ik zong het geregeld. Zonder woorden, alleen met de klanken. Zelfs wel eens op dat
bewuste 'corsetjes'-balkon.  Oooooh, goeie ouwe tijd..............!



en dan kan het volgende liedje niet achterwege blijven :

*****************

 

Pianissimo

Ik ken jouw tere snaren.
Mijn stemmingen breng ik bij jou
en samen worden wij akkoorden.

Zwarte kolos, fijnbesnaarde kern
mishandeld
gestreeld
was er vóór mij, en zal er na mij zijn.

Kinderknuisten timmeren als vroeger
totdat ook zij
tere snaren laten spreken
de kunst verstaan.

Handen die als vroeger
het beste uit je halen.
Klanken, die doen luisteren
ademloos.....

Ik ken jouw tere snaren
Mijn stemmingen breng ik bij jou
en samen worden wij akkoorden.

 

*********

DANKJEWEL  GRONINGERS !

Menig Rotterdammertje in erge hongersnood

vertrok naar ’t hoge noorden, naar 't land van melk en brood.

want in die koude winter van 't laatste oorlogsjaar

stonden er trouwe Groningers voor hen met eten klaar.

Ach, die arme kinderen, zo magertjes en bleek,

ze voelden zich zó ver van huis en waren zo van streek.

Maar ondervonden al heel snel: in Groningen is ’t fijn.

Hier lijkt de oorlog heel ver weg,  ’t kon hier wel vréde zijn !

Ze knapten zienderogen op, en werden erg verwend.

 Want Groningers doen àlles goed. Daar staan ze om bekend !


Ook ik was Rotterdammertje, een kind van amper tien.

 Toch heb ik in die bange tijd dat jaar veel moois gezien.

'k Was daar gelukkig en nooit bang. Wat vloog dat jaar voorbij

en wat beleefde ik toch veel, daar op die boerderij !

Wat leerde ik goed Gronings: een konijn werd dus een ‘knien’,

en peentjes werden ‘worrels’, krootjes ‘baitn’, pijn was ‘pien’.

 

Maar... weer in Rotterdam terug, wat vónden we dat raar,

werd 'worrel' weer een ‘peentje’, tja, zo noemen ze dat daar.

De Groningers bedanken is 't doel van dit gedicht:

met 'n welgemeende warme groet

van jullie ‘lutje wicht’ !

                                                                ‘Jopie’

*********

terug naar boven